Extremisme: de beschuldiging en de werkelijkheid
Bron: 'Islamic Awakening between
Rejection and Extremism', Dr. Yûsuf Al-Qaradâwî
Vertaald door: Team Moslima.
Deel 1: Gematigdheid is een
hoofdkenmerk van de Islam
Deel 2: Fouten van religieus extremisme
Deel 1: Gematigdheid is een hoofdkenmerk van
de Islam
Men kan geen oordeel over iets vellen waar men niets
of nauwelijks iets van afweet. Daarom zullen we eerst vast moeten
stellen wat religieus extremisme betekent voordat
we het kunnen veroordelen of juist toejuichen. Extremisme betekent
letterlijk; zich op een plek begeven die zo ver mogelijk verwijderd
is van het midden. Figuurlijk duidt het op een soortgelijke verwijdering
qua religie, gedachte als ook qua gedrag.
Eén van de belangrijkste consequenties van
extremisme is dat men bloot komt te staan aan gevaar en onveiligheid.
Daarom raadt de islam bij alles gematigdheid en evenwicht aan:
bij geloof, aanbidding, gedrag en wetgeving.
Dit is het rechte pad, die God aanduidt met as-siraat
al-mustaqiem, een pad dat met kop en schouders boven alle
andere paden die gevolgd worden uitsteekt, die gevolgd worden
door degenen die Gods woede over zich afroepen en degenen
die dwalen (zie het openingsvers van de Koran).
Gematigdheid, of evenwicht, is niet slechts een
algemene eigenschap van de islam, maar het is een hoofdkenmerk!
De Koran zegt:
"Aldus hebben Wij jullie
tot een gemeenschap gemaakt die de middenweg bewandelt, opdat
jullie getuigen zouden zijn over de mensen en de Boodschapper
een getuige over jullie." Koran 2:143.
Overeenkomstig is de moslimgemeenschap er één
van rechtvaardigheid en gematigdheid; Zij getuigt van iedere afwijking
van het rechte pad, zowel in het hier en nu als in het hiernamaals.
Islamitische geschriften roepen moslims op de gulden middenweg
te bewandelen en alle vormen van extremisme af te zweren en tegen
te gaan, zoals: overdrijving (ghuluw), overangstvalligheid (tanattu),
en starheid (tashdied). Als we dergelijke geschriften nauwkeurig
bestuderen kunnen we concluderen dat de islam zich nadrukkelijk
uitspreekt tegen overdrijving.
Laten we de volgende profetische overleveringen
bezien:
1. "Pas op voor overdrijving in de religie.
Voor jou zijn er (mensen) geweest die stierven als gevolg van
(een dergelijke) overdrijving".
De mensen naar wie verwezen wordt zijn de mensen van andere religies,
in het bijzonder de mensen van het Boek, de koranische
benaming voor joden en christenen. Hier wordt vooral gedoeld op
de christenen. De Koran spreekt deze mensen aldus toe:
"Zeg: O mensen van het
Boek ! Overschrijdt niet in jullie religie de grenzen (van wat
passend is), de waarheid overtredend, en volgt niet de loze verlangens
van de mensen, die in het verleden de verkeerde kant op zijn gegaan,
door wie velen misleid werden en zij (zelf) van het gelijke Pad
afdwaalden." Koran 5: 77.
Moslims zijn daarom gewaarschuwd om niet in hun
voetsporen te treden; hij die leert van andermans fouten zal zeker
een gelukkiger leven leiden.
Een achterliggende reden achter deze profetische
overlevering is ons bewust te maken van het feit dat overdrijving
zich kan voordoen als een onbeduidende handeling, die we ongewild
toestaan en door laten ontwikkelen totdat hij uit is gegroeid
tot een bedreiging. Nadat hij Muzdalifah (de plaats waar mensen
de satan stenigen) bereikt had- tijdens zijn laatste pelgrimage-
verzocht de Profeet, vrede zij met hem, Ibn Abbas wat stenen
voor hem bijeen te zoeken. Ibn Abbas zocht kleine stenen
uit. Toen de Profeet, vrede zij met hem, de omvang van de stenen
zag zei hij goedkeurend: " Ja, met dergelijke (stenen moet
je de Satan stenigen). Kijk uit voor overdrijving in de religie."
Dit geeft duidelijk aan dat moslims niet zo fanatiek moeten zijn
te geloven dat het beter is om grote stenen te gebruiken, terwijl
overdrijving geleidelijk hun leven binnen sluipt. Imam Ibn Taymiyah
betoogt dat deze waarschuwing tegen overdrijving van toepassing
is op alle vormen van geloof, aanbidding en gedrag. Hij merkt
op dat God de christenen in de Koran hierop aanspreekt, omdat
zij excessiever zijn in geloof en in gedrag dan welke andere groepering
dan ook.
"Overschrijdt niet de
grenzen van jullie religie". Koran 5:77.
2. "Verloren zijn zij die zich overgeven aan
overangtsvalligheid".
En de Profeet herhaalde dit drie maal. Imam an-Nawawi zei, dat
de mensen naar wie hier verwezen wordt als "zij die zich
overgeven aan overangstvalligheid" slaat op diegenen die
hun grenzen overschrijden, zowel met wat ze zeggen als met wat
ze doen. Klaarblijkelijk benadrukken de twee bovengenoemde overleveringen,
dat het gevolg van overdrijving en fanatisme een absoluut verlies
voor dit leven en het hiernamaals is.
3. De Profeet, vrede zij met hem, was gewoon te
zeggen: "Maak het jezelf niet te moeilijk, opdat je er niet
aan onderdoor gaat. Mensen die er voor jou waren hebben zichzelf
overbelast en gingen ten onder. Wat er van hen overbleef is te
vinden in kluizenaarsverblijven en kloosters".
De Profeet, vrede zij met hem, heeft werkelijk iedere
neiging naar religieuze overdrijving veroordeeld. Hij waarschuwde
diegenen onder zijn metgezellen die overdreven in aanbidding of
die als asceten leefden, vooral wanneer dit verder ging dan wat
het gematigde standpunt van de islam voorschreef. De islam probeert
een evenwicht te creëren tussen de lichamelijke behoeften
en die van de ziel, tussen het recht van de mens het uiterste
uit het leven te halen en het recht van de Schepper aanbeden te
worden door de mens: wat weer de raison detre
voor de mens op aarde is.
De islam heeft bepaalde vormen van aanbidding voorgeschreven
om de mens zowel spiritueel als materieel, individueel als collectief
te zuiveren. Aldus wordt er een harmonieuze gemeenschap opgericht,
waarin gevoelens van broederschap en solidariteit de boventoon
voeren zonder dat de verplichting van de mens om een cultuur en
een beschaving op te bouwen tegengewerkt wordt. Voorgeschreven
verplichtingen als het gebed (salaat), de armenbelasting (zakaat),
het vasten (siyaam) en de pelgrimage (hajj) zijn tegelijkertijd
persoonlijke als gemeenschappelijke vormen van aanbidding. Een
moslim die deze verplichtingen nakomt vervreemd niet van het dagelijkse
leven, noch verliest hij zijn gemeenschap uit het oog. Daarentegen
worden de banden emotioneel en praktisch gezien sterker gemaakt.
Daarom kent de islam geen kloosterleven, een praktijk waarbij
afzondering en vervreemding een vereiste is, waardoor de mens
niet in staat is te genieten van de zegeningen en de goede dingen
des levens.
De islam beschouwt de hele wereld als een plek voor
het uitvoeren van religieuze praktijken en vindt religie betrekking
hebben op alle aspecten ervan. De islam rekent ook werken tot
een vorm van aanbidding en een inspanning (jihad), als iemands
oprechte intentie hierbij is om God te dienen.
Als gevolg hiervan keurt de islam het niet goed
om spiritualiteit na te streven ten koste van materialisme, zoals
bijvoorbeeld bepaalde andere religies en overtuigingen wel voorschrijven,
waarbij men geneigd is het lichaam te verwaarlozen en te kastijden,
zogenaamd om de ziel te reinigen. Dit wordt in de
Koran duidelijk naar voren gebracht:
"O Heer! Geef ons het
goede in dit leven en het goede in het latere leven." 2:
201.
Verder blijkt dit uit de volgende overlevering:
"O God, verbeter mijn religie voor mij, die de waarborg is
voor mijn zaken en verbeter voor mij de zaken van mijn (leven
in deze) wereld waarin mijn broodwinning is. En verbeter mijn
latere leven voor mij, waarvan mijn leven in het Hiernamaals afhangt;
en maak het leven voor mij (tot een bron) van overvloed voor al
het goede en maak mijn dood een bron van troost voor mij, die
me behoedt voor al het kwaad". En de overlevering: "Jouw
lichaam heeft recht op jou."
De Koran verbiedt en verwerpt de neiging om de goede
dingen des levens (tayyibaat), die God aan zijn dienaren
schonk, tot verboden uit te roepen. In een vers, die in Mekka
is geopenbaard, zegt God:
"O, kinderen van Adam!
Draagt jullie mooiste kleding op ieder tijdstip en iedere plaats
van het gebed. Eet en drinkt, maar verspil niet uit overmaat,
want God houdt niet van verspillers. Zeg wie heeft de prachtige
gaven van God verboden, die hij voor zijn dienaren gemaakt heeft
en de schone, pure dingen, die Hij als levensonderhoud gegeven
heeft?" Koran 7: 31-32.
In een ander vers, geopenbaard in Medina, spreekt
God de gelovigen op een soortgelijke wijze toe:
"O, jullie die geloven!
Verklaar de goede dingen, die God voor jullie wettig heeft verklaard,
niet tot onwettig. Maar weest niet buitensporig, want God houdt
niet van degenen, die zich aan buitensporigheid hebben overgegeven.
Eet van de dingen, waarmee God jullie voorzien heeft, wettig en
goed, maar vreest God, in Wie jullie geloven". Koran 5: 87-88.
Deze verzen leggen de gelovigen de ware islamitische
manier uit hoe te genieten van de goede dingen des levens
en weerstand te bieden tegen de buitensporigheden waar we in andere
religies soms op stuiten. We moeten deze twee bovengenoemde verzen
bezien in de juiste context: overgeleverd is dat ze werden geopenbaard
toen een aantal van de metgezellen van de Profeet, vrede zij met
hem, besloten zich te laten castreren en het land door te reizen
als monniken. Ibn Abbas leverde over : Er kwam een man bij
de Profeet, vrede zij met hem, die zei: O Profeet van God,
telkens wanneer ik van dit vlees eet, krijg ik zin om de liefde
te bedrijven en daarom heb ik besloten om geen vlees meer te eten.
Anas ibn Malik leverde over: Er kwam een groepje
mannen bij het huis van de vrouwen van de Profeet, vrede zij met
hem, om te informeren over hoe hij God aanbad. Toen ze hierover
op de hoogte waren, vonden dat ze zelf aan aanbidding te kort
schoten. Een van hen zei: Ik zal de hele nacht door bidden.
De andere zei: Ik zal het hele jaar door vasten, zonder
het te verbreken Een derde zei: Ik zal nooit meer
trouwen. Gods boodschapper vzmh kwam en zei: Bij
God, Ik ben meer onderworpen aan God dan jullie en vrees Hem meer
dan jullie; toch vast ik en verbreek ik mijn vasten, ik doe s
nachts gebeden, ik slaap en ik trouw met vrouwen. Wie dus niet
mijn voorbeeld (soenna) volgt hoort niet bij mij (behoort niet
tot mijn volgelingen).
Uit de soenna van de Profeet, vrede zij met hem,
is zijn begrip van het geloof en de toepassing ervan af te lezen.
We zien er hoe hij zijn plicht ten opzichte van God, ten opzichte
van zichzelf, zijn familie en zijn volgelingen nakwam en dit alles
op een zeer uitgebalanceerde en gematigde manier.

Deel 2 Fouten van religieus extremisme
Deze waarschuwingen tegen extremisme en overdrijving
zijn zeer noodzakelijk, vanwege de grote gebreken die deze trends
in zich meedragen.
Het eerste gebrek is dat een normaal, doorsnee mens
overdrijving niet aan kan en niet zal accepteren. Ook al zou een
enkeling voor een kortere of langere periode overdrijving kunnen
verdragen, de overgrote meerderheid kan dit echter niet. Gods
wet is gericht tot de gehele mensheid en niet tot een bijzondere
groep van mensen die over een uitzonderlijke eigenschap van geduld
beschikken. Om precies deze reden werd de Profeet, vrede zij met
hem, op een keer boos op zijn metgezel Muadh, omdat deze
op een dag de mensen voorging in het gebed en het gebed zo lang
maakte dat iemand achteraf naar de Profeet ging om zijn beklach
te doen. De Profeet, vrede zij met hem, zei tegen Muadh
(op een boze toon): Oh Muadh, stel je de mensen op
de proef? Hij herhaalde dit tot drie maal toe.
Een andere keer sprak hij met ongekende boosheid
tot een imam: Door sommigen van jullie krijgt men een hekel
aan het verrichten van goede daden. Let er dus op dat wanneer
jullie de mensen voorgaan in het gebed dat jullie het gebed niet
langer maken dan noodzakelijk. Hou het kort, want sommigen van
hen zijn zwak of oud en weer anderen hebben elders drukke bezigheden.
En verder, toen de Profeet, vrede zij met hem, Muadh
en Abu Musa naar Jemen stuurde, gaf hij hen het volgende advies
mee: Maak dingen niet moeilijker voor de mensen dan noodzakelijk.
Breng de goede boodschap en zorg ervoor dat ze er niet afkerig
van worden. Gehoorzaam elkaar en twist niet met elkaar.
Umar ibn al-Khattab, een metgezel en latere kalief,
heeft dit ook benadrukt met de volgend uitspraak: Zorg er
voor dat Gods dienaren geen afkeer van Hem krijgen door
mensen voor te gaan in het gebed en het gebed erg lang te maken,
zodat ze een hekel krijgen aan wat ze aan het doen zijn.
Het tweede gebrek is dat overdrijving nooit lang
kan worden volgehouden. Aangezien de mens maar een beperkt vermogen
heeft om dingen te kunnen verdragen en in dingen te volharden
en omdat het in de menselijke aard ligt zich snel te vervelen,
kan men overdreven praktijken nooit lang uithouden. Zelfs als
het lukt om er een poosje in te volharden, dan zal men hiervan
snel vermoeid raken, zowel fysiek als geestelijk. Uiteindelijk
zal men zelfs dat kleine beetje waartoe men in staat was opgeven,
of misschien kiest men voor het andere uiterste; dat van luiheid
en nalatigheid.
Ik heb veel mensen ontmoet die als streng en fanatiek
bekend stonden. Ik verloor ze dan uit het oog en wanneer ik na
een lange periode naar ze informeerde kreeg ik te horen dat ze
of afgeweken waren en een tegenovergestelde weg in waren geslagen,
of dat ze achtergebleven waren, zoals de haastige
waarover de Profeet in een overlevering zegt: Hij (de haastige)
legt noch de gewenste afstand af, spaart noch de rug (van zijn
rijdier).
Het is de leiding van de Profeet, vrede zij met
hem, die uit de volgende overlevering naar voren komt: Doe
die daden die je aankan, want God zal niet moe worden (van het
geven van beloningen) tot jij verveeld en moe wordt (van het doen
van goede daden)
en de meest geliefde daad in de ogen van
God is de daad die herhaaldelijk wordt verricht, ook al is het
gering.
Said ibn Abbas leverde over: Een
vrouwelijke bediende van de Profeet, vrede zij met hem, had de
gewoonte om overdag te vasten en de gehele nacht te bidden. De
Profeet werd hiervan op de hoogte gesteld en zei: In iedere
daad kent zijn hoogtepunt en wordt opgevolgd door vermoeidheid.
Ieder maximum kent zijn hoogtepunt en ieder hoogtepunt wordt opgevolgd
door vermoeidheid. Hij die in zijn vermoeidheid mijn soenna (in
navolging van de Profeet) volgt is op de juiste weg, maar hij
die in zijn vermoeidheid een andere (als leidraad) volgt heeft
(een fout begaan en) begeeft zich op het verkeerd pad.
Abdallah ibn Umar zei: De Profeet
vrede zij met hem, werd verteld over mensen die uit waren geput
door aanbidding. Hij zei: Dit is het maximum aan islam en
het hoogtepunt van wat mogelijk is. Ieder maximum kent zijn hoogtepunt,
en ieder hoogtepunt wordt gevolgd door uitputting
..diegene
wiens uitputting in harmonie is met het Boek (de Koran) en de
soenna (in navolging van de Profeet) begeeft zich op het rechte
pad, maar diegene die in zijn uitputting ongehoorzaam is, zal
ten onder gaan.
Hoe groots is het advies van de Profeet vrede zij
met hem, bestemd voor alle moslims om niet teveel hooi op de vork
te nemen als het gaat om aanbidding en om gematigd te zijn, opdat
men niet uit vermoeidheid in elkaar stort en niet verder kan gaan.
Hij, vrede zij met hem, zei: Religie is iets makkelijks.
Wie zichzelf te zwaar belast zal niet op dezelfde wijze verder
kunnen. Doe wat juist is ( zonder te overdrijven of nalatig te
zijn), benader (perfectie), en verheug je (dat je zult worden
beloond voor je goede daden).
Het derde gebrek is, dat het overdreven praktiseren
andere rechten en verplichtingen in gevaar brengen. Een wijsgeer
zei eens hier omtrent: Iedere buitensporigheid is hoe je
het wendt of keert verbonden met een recht dat verloren gaat.
Toen de Profeet, vrede zij met hem, er achter kwam
dat Abdallah ibn Umar zo opging in aanbidding, dat
hij zelfs zijn plichten ten opzichte van zijn vrouw verwaarloosde,
zei hij tegen hem: Oh Abdallah! Klopt het wat mij
verteld is, dat jij overdag altijd vast en je de avonden doorbrengt
in aanbidding? Abdallah antwoordde: Ja, boodschapper
van God!. Toen zei de Profeet, vrede zij met hem: "Dat
moet je niet doen, vast en verbreek je vasten, aanbid gedurende
de avonden, maar ga ook slapen. Je lichaam heeft recht op je,
je vrouw heeft recht op je en je gast heeft recht op je
.
Het incident tussen Salman al-Farisi, een metgezel,
en zijn toegewijde vriend Abu al-Darda maakt dit nogmaals duidelijk.
De Profeet, vrede zij met hem, schiep een band van broederschap
tussen hen beide. Op een dag bezocht Salman het huis van Abu al-Darda
en trof daar zijn vrouw, Umm al-Darda, aan. Ze droeg oude, versleten
kleren. Hij vroeg haar waarom ze er zo uitzag en ze antwoordde:
Jouw broeder Abu al-Darda geeft niet om wereldse zaken.
Ondertussen was Abu al-Darda thuisgekomen en bereidde een maaltijd
voor Salman. De laatste vroeg hem mee te komen eten, maar Abu
al-Darda antwoordde: Ik ben aan het vasten. Salman
zei toen: Ik eet niets als je niet meedoet. Dus ging
Abu al-Darda mee-eten. Toen het nacht was stond Abu al-Darda op
om te gaan bidden, maar Salman zei dat hij weer moest gaan slapen,
dus deed hij dit.
Na een poosje stond Abu al-Darda weer op, waarop
Salman hem nogmaals aanspoorde te gaan slapen. Toen de nacht bijna
om was, riep Salman Abu al-Darda om op te staan, waarop ze beide
de salaat (voorgeschreven vijfdagelijkse gebed) verrichten. Salman
vertelde Abu al-Darda toen: Jouw Heer heeft recht op jou,
je hebt recht op jezelf, je familie heeft recht op jou. Geef ieder
dus waar hij recht op heeft. Abu al-Darda vertelde dit incident
aan de Profeet, vrede zij met hem, die zei: Salman heeft
gelijk".
