Homepagina
  Introductie
  Gedichten
  Links

  Evenementen
  Vrouw en Islam
  Nieuwe Moslima's
  Dagelijks leven

  Familie
  Geloof
  Wat is nieuw
  Contact


Familie




Relaties
Kinderpagina





 

 

De vriendschap van Aboe Bakr

Liefde voor Mohammed, Rasoeloellah
(het dertiende jaar van het profeetschap)

Op een donker nacht vertrokken Aboe Bakr en Rasoeloellah (De boodschapper van Allah) uit Mekka om naar Medina te gaan. Ze wilden zich bij de andere moslims in Mekka voegen. Ze liepen de hele nacht lang. Tegen de ochtend kwamen ze aan bij een grot, die Thaur heette. Ze waren bang dat de ongelovigen zouden proberen om hen te vinden, daarom besloten ze zich in de grot te verbergen, tot de ongelovigen hun zoektocht zouden opgeven. "Laat ons de grot binnengaan", zei Rasoeloellah.

Aboe Bakr antwoordde:"O, Rasoeloellah, wacht buiten en laat mij naar binnen gaan om te controleren of er giftige insecten of gevaarlijke slangen in zitten." Toen ging Aboe Bakr naar binnen.
De grot was precies groot genoeg om twee mannen te verbergen. Hij merkte, dat er veel gaten in de rots zaten. Hij was bang dat 's nachts giftige slangen en insecten uit de gaten zouden komen. Hij scheurde zijn bovenjas aan stukken en gebruikte de stof om de gaten in de grot dicht te stoppen. Nadat de grot klaar was vroeg hij Rasoeloellah binnen te komen. Toen Rasoeloellah hem zo zag vroeg hij:" Wat is er met je kleding gebeurt?!" Aboe Bakr vertelde hem dat hij het had gebruikt om de gaten in de grot dicht te maken zodat er geen insecten of slangen uit konden komen om Rasoeloellah kwaad te doen. Rasoeloellah moest ontzettend lachen hij hield veel van zijn vriend Aboe Bakr.

Ze hadden de hele nacht gereisd en Rasoeloellah ging slapen. In de grot zag Aboe Bakr dat er nog een gat over was. Rasoeloellah was in slaap gevallen met zijn hoofd op Aboe Bakrs been. Aboe Bakr wilde hem niet storen, daarom strekte hij zijn andere been en maakte het gat met zijn voet dicht.

Er zat in dat gat toevallig een slang. De slang beet in Aboe Bakrs voet. Hij voelde een hevige pijn, maar haalde zijn voet niet uit het gat. Tranen kwamen in Aboe Bakrs ogen en vielen op het gezicht van Rasoeloellah. Rasoeloellah werd wakker en zag dat Aboe Bakr vreselijke pijn had. "Wat is er met je gebeurd, mijn vriend?" Vroeg Rasoeloellah. Aboe Bakr vertelde hem het verhaal. Rasoeloellah deed wat spuug op de wond. Toen voelde Aboe Bakr geen pijn meer.

Aboe Bakr en ook de metgezellen hielden zoveel van Rasoeloellah, dat ze alles zouden doen om hem een plezier of een genoegen te doen. Ze waren bereid om elk offer voor de zaak van de islam te maken. Moge Allah hun zielen zegenen.

Een huis voor Allah

“Ik ga een groots huis bouwen,” zei de dikke meneer haastig. “Ik ga het grootste en mooiste huis bouwen van de hele wereld. Let jij maar eens op!”
“Ik wil een stevig huis bouwen, Dirk. Het kan me niet schelen hoe lang ik daar over doe,” zei de lange meneer rustig.
“Jaap,” riep dikke Dirk angstig. “Er komt een flinke storm dus moet je wel snel zijn.” Een flinke windvlaag bezorgde de twee mannen dik kippenvel.
“Bah, straks gaat het nog regenen ook,” mopperde Dirk. “De ochtend begint al weer lekker.”

Beide mannen wilden graag een stevig en veilig huis bouwen voor hun vrouw en kinderen. Ze hadden wel tentjes, maar die waren niet zo sterk. Elke keer als er dan storm was dan gingen de tentjes plat. Iedereen was dan nat en doorweekt. Al het eten voor een hele week spoelde zo de berg af het dal in. Daar moest dan toch echt een eind aan komen.

“Eh wat ga jij nou doen, Jaap,” vroeg dikke Dirk onzeker.
“Ik,” vroeg lange Jaap verbaasd. Hij was het niet gewend dat mensen hem iets vroegen. “Ik ga eerst naar de moskee en vragen of Allah het werk wat ik ga doen wil zegenen.”
“Bah,” zegt dikke Dirk. “Ik bouw het huis en dan draag ik het hele huis op aan Allah. Dat is veel beter. En wat ga je daarna doen?”
“Daarna ga ik naar de meest ervaren timmerman in de stad en hem vraag ik om raad.”
“Ha,” snuift dikke Dirk afwijzend. “Ik ga ALLE timmermannen om raad vragen. Dan mis ik niets!”

Lange Jaap liep rustig naar de wijze timmerman toe, terwijl dikke Dirk zich rot rende om iedere timmerman in de stad te kunnen spreken. Lange Jaap zag dikke Dirk in de verte al aankomen wanneer hij bij de wijze timmerman aankomt. Dikke Dirk was helemaal bezweet en hijgend brulde hij, “Ik ga eerst, ik ga eerst,” en draafde op de wijze timmerman af.

“OKÉ, wijze uil. Hoe maak ik het beste huis in de wereld.”
De wijze timmerman antwoordde langzaam, “Begin bij het begin. Begin onderaan. Zorg dat je met beide benen op de grond staat."
“Ja en? Verder,” riep dikke Dirk gehaast. “Kom op man, praat eens wat sneller. Ik wil het vandaag nog weten!”
Weer antwoordde de wijze timmerman met, “Begin bij het begin. Begin onderaan. Zorg dat je met beide benen op de grond staat."
“Nou eh,” brult dikke Dirk spottend, “volgens mij ben je niet helemaal lekker. Met beide benen op de grond staan. Pfff. Denk je soms dat ik huppelend een huis ga bouwen ofzo.” En boos loopt hij weg, terug naar huis – of waar eigenlijk zijn huis gebouwd moet worden.

Lange Jaap schudde met zijn hoofd, “Vergeef mijn vriend. Hij is nogal ongeduldig.”
De wijze timmerman glimlachte slechts en zei verder niets.

“Ik wil, insha Allah (als God het wil), een veilig en droog onderkomen bieden voor mijn gezin, maar ik heb niet de kennis hoe ik het moet bouwen," zei lange Jaap rustig.
De timmerman vertelde hem hetzelfde als wat hij dikke Dirk vertelde. Lange Jaap bleef wel geduldig luisteren.
“Wijze timmerman, je hebt veel te vertellen en ik zal geduldig luisteren.”
“Ik zal je stap voor stap uitleggen hoe je je huis kunt bouwen. Ga er maar goed voor zitten want dit kan wel even duren,” zei de wijze timmerman met een warme glimlach.
“Ik hang aan je lippen. Vertel asjeblieft nog meer.” Dan ziet hij ineens de lange schaduwen. “Och heden, het is bijna tijd om te eten. Ik moet naar huis. Tenminste, ik moet naar de plaats waar ik nog het huis moet bouwen,” zegt lange Jaap terwijl hij naar de horizon kijkt. Vlug gaat hij terug naar de berg om een goed huis te bouwen.

Op de heuvel zijn dikke Dirk en lange Jaap begonnen met het bouwen van hun huizen. Dikke Dirk begon in een sneltreinvaart te bouwen. Alles wat de timmerlieden vertelden probeerde hij ook meteen uit.
“Oh dit gaat niet goed,” jammerde dikke Dirk. “Ik wil het snel en goed doen, maar er zitten nog gaten tussen het hout. De muren staan scheef en de grond is ook nog ongelijk.” Toch gaat hij dapper verder. “Ik moet de mensen laten zien dat ik het kan, anders ben ik niets! De gaten en kieren kan ik altijd wel dicht gooien met verf. Ha! Wat ben ik toch slim!”

Lange Jaap haalde eerst een paar keer diep adem, dankte Allah en begon rustig met bouwen. Hij begon netjes bij het begin en deed precies wat de wijze timmerman hem vertelde. Alles wat hij deed droeg hij op aan Allah, uit dank voor al de zegeningen die hij ontving. De mensen uit het dorp blij maken dat kon hij toch niet, die wisten zelf niet wat ze wilden.

“Ha,” schreeuwt dikke Dirk. “Nu komt het leuke werk. Kledderen met verf,” en liet zo een hele emmer verf over het dak leeglopen. “Nou, dat kan veel sneller,” zei hij ongeduldig. “Hup, nog een paar emmers over het dak heen.” Het leek wel een zee van verf wat naar beneden kwam. “Kijk toch eens, alle gaten en kieren zitten nu dicht. Ben ik niet geweldig,” brult hij van de daken terwijl hij zichzelf op de borst klopt.

“Nou, zo is het wel leuk, maar het wordt wel een zooitje,” sprak lange Jaap wat bezorgt. “Ik doe het liever rustig aan en laat de kwast het werk doen,” en plakte een aantal kwasten aan elkaar waardoor hij een hele grote kwast kreeg. Rustig aan zette hij het hele huis in de verf. “Verven en schuren, buurman. Dat geeft een goed resultaat.” Verven en schuren. Dat deed hij een paar keer. “En dan nog even afwerken met een kwast en klaar,” zegt hij heel tevreden. “Bedankt Allah, U bent Geweldig” riep lange Jaap met een brede glimlach.

De huizen waren eindelijk gebouwd, maar lange Jaap deed er bijna vijf keer langer over dan dikke Dirk. Beide huizen leken erg veel op elkaar en ze zagen er zo van een afstand erg goed uit. Iedereen was dolblij en ze trokken gelijk het huis in. Het huis van dikke Dirk was de hele dag gevuld met klachten van de vrouw en kinderen. Het huis van lange Jaap was de hele dag gevuld met het bedanken van Allah.

Die nacht was er een hevige storm. Het eerste uur was er niets aan de hand en beide huizen stonden met beide benen op de grond. Daarna begon het huis van dikke Dirk te scheuren. Eerst kleine scheuren en wanneer de wind harder tegen de muren aan blies kwamen er hele grote scheuren in. Hele planken met grote stroken gedroogde verf werden van het huis afgerukt. Toen de wind eindelijk de deur vond kwam hij eens binnen kijken en nam het hele huis maar mee. Weg was het nieuwe huis. Dikke Dirk, vrouw en kinderen stonden te bibberen van de kou. Regen kwam met bakken naar beneden. Ze waren tot op hun hemd kletsnat. Gelukkig deed lange Jaap zijn deur open zodat ze konden schuilen voor de storm. Ze waren maar al te blij met dit aanbod en liepen naar binnen terwijl ze Allah bedankten.

Het opbouwen van je geloof is net als het bouwen van een huis. Richt je naar de bron (Koran) en naar de overleveringen van de Profeet. Als je je geloof wilt opbouwen, praat dan met de grootste Bouwmeester die er is. Allah. Wees niet zoals dikke Dirk en vraag iedereen om raad. Dit brengt alleen maar verwarring. Lees de Koran en lees over Mohammed (vrede zij met hem), de Profeet. Doe het stap voor stap. Rustig aan. Neem de tijd. Richt je op Allah en dank Hem voor alles en je zult zien dat het beter gaat. Als je Allah om hulp vraagt voordat je aan iets begint, dan zul je zien dat het ook beter gaat. Allah vindt het geweldig als je Hem om hulp vraagt en Hij zal je altijd helpen. Hoe vaak je ook blijft vragen. Doen hoor! Allah is geduldig!

De dag dat de Profeet huilde

Voor de tijd dat de Profeet Mohammed (vzmh) begon met het verkondigen van Allah’s woord, waren er veel Arabieren die liever een zoon dan een dochter hadden.
Zonen waren sterk en konden hard werken. Zij hadden veel voordelen voor hun ouders en familie. Maar dochters waren zwak, dachten de Arabieren. En dat niet alleen, meisjes waren vervelend en een last en een kostenpost voor de familie.

Veel Arabische vaders konden geen meisjes gebruiken en wanneer er een dochter geboren werd in plaats van een zoon, dan waren zij helemaal niet blij. Sommigen werden erg boos door de geboorte van een dochter en begroeven haar levend.
Gelukkig was er een vader die naar de Profeet (vzmh) ging en hij biechtte deze verschrikkelijke misdaad op.

Deze vader was ooit een fanatieke afgod aanbidder, zoals alle Arabieren voordat de Profeet Mohammed (vzmh) tot hen kwam en hun de weg naar de Islam wees.
Voordat hij een moslim werd, had deze Arabier een dochter. Een lief klein meisje die hem altijd kuste.
Wanneer haar vader haar riep, kwam het kleine meisje naar hem toegerend en stond altijd klaar om haar liefde voor haar vader te tonen.

Op een dag riep de vader haar en natuurlijk kwam zij snel aanrennen. Hij nam haar mee op een lange wandeling en het meisje rende en huppelde blij naast haar vader op weg, het arme kleine ding.
Ze had nooit gedacht dat een vreselijk lot haar te wachten stond.
Na een tijdje kwamen vader en dochter bij een waterbron. Plotseling, zonder waarschuwing pakte hij haar op en gooide haar in de bron. Het kleine meisje was vreselijk bang en gilde in angst: “Papa oh Papa!”
Maar de vader weigerde om naar haar smeken en hulpgeroep te luisteren. In plaats daarvan gooide hij een lading aarde in de bron om zijn dochter te begraven en toen ging hij naar huis, haar achterlatend om te sterven.

Het was een hartverscheurend verhaal. De vader was vol van wroeging door de vreselijke moord die hij had gepleegd. De vader zou de rest van zijn leven moeten lijden onder dit schuldgevoel.

Natuurlijk was de Profeet (vzmh) vervuld van afschuw toen hij hoorde wat de vader had gedaan. Zijn hart deed zeer van verdriet. Tranen welden op in zijn ogen en liepen over zijn gezicht en zijn baard in. De Profeet (vzmh) moest zo huilen dat zijn gezicht en baard helemaal nat werden.
Toen zijn vrienden de Profeet (vzmh) zo zagen huilen, werden zij allen erg ongelukkig en ook hen ogen vulden zich met tranen.
Zij wisten dat het terecht was dat de Profeet (vzmh) zoveel tranen vergoot voor het kleine meisje die zo’n vreselijke dood was gestorven. Want had hij zijn volk niet geleerd dat zij lief moesten hebben? Alle kinderen, jongens en meisjes?
En had hij niet gezegd: “Allah houdt van diegene die zorgt voor zijn familie, speciaal diegenen die zorgen voor meisjes”

En was de Profeet (vzmh) niet de grootste kindervriend die de wereld ooit gezien heeft?

Vertaald uit: Islam-online

Mijn beste vriend.

Half acht de wekker rinkelt, Amien opent zijn ogen het eerst wat hij zegt is; "Ik dank Allah, die mij laat sterven en in de ochtend weer tot leven brengt". Hij trekt zijn gordijnen open en kijkt naar buiten de zonnestralen bedekken zijn gezicht. Hij glimlacht en loopt naar de badkamer om zijn woedu (wassen voordat je gaat bidden) te nemen.

"Amien opschieten het ontbijt is klaar", roept zijn moeder.
Amien komt de badkamer uit en spreekt de volgende woorden: "Ik getuig dat er geen God is dan Allah en dat Mohammed* zijn profeet is". Dan loopt hij naar zijn kamer om daar zijn gebed te verrichten. Als hij klaar is trekt hij zijn kleren aan en terwijl hij dat doet zegt hij "ik dank Allah die mij deze kleren heeft gegeven". Tevreden kijkt hij in de spiegel, hij pakt zijn schooltas en loopt naar beneden .

Hij groet zijn moeder met Salaam en gaat dan aan tafel zitten. Moeder kijkt trots toe hoe haar zoon zijn eerste hap neemt terwijl hij de naam van Allah uitspreekt. Er wordt aan de deur gebeld, zijn moeder doet open. Daar staat Anas het buurjongetje, hij vraagt naar Amien die op hem af komt lopen. "Salaam" zegt, Amien, en Anas antwoord; "hoi Amien fiets je mee naar school? Kunnen we samen Latifa dat vervelende kind uit onze klas tegemoet rijden en haar lekker pesten".
Amien kijkt hem aan en zegt; "Nee Anas ik rij niet met jou mee om iemand te pesten, als jij mijn vriend wil zijn dan pest je niemand, want dat doet mijn beste vriend ook niet". Anas kijkt hem aan en zegt. "Jouw beste vriend???? Wie is jou beste vriend dan, jij hebt helemaal geen beste vriend".
Amien kijkt hem aan en zegt dan, "die heb ik wel en hij heet Mohammed*". Anas kijkt hem aan en zegt; "nou goed ga jij maar lekker naar je best vriend dan". Amien glimlacht en zegt: "dat zal ik zeker doen op een dag.."

Anas begrijpt niet zo goed wat Amien bedoelt; Hij denkt; "Wie is die beste vriend van Amien? En waarom antwoord hij met, dat zal ik zeker doen op een dag? Ik ken geen Mohammed* die Amien zou moeten kennen en in de klas zit ook niemand die Mohammed* heet". Hij fiets naar school, hij is een beetje jaloers omdat hij weet dat Amien een andere beste vriend heeft.
Op school komt hij Omar en Ali tegen, hij loopt op ze af en verteld ze over wat Amien heeft gezegd.
Omar zegt, "nou die best vriend van hem kan helemaal niet zo bijzonder zijn, ik ben veel beter dan hij. Ik zal er voor zorgen dat ik Amien zijn beste vriend word". Op dat moment fietst Amien het schoolplein op. Omar loopt op hem af en vraagt Amien of hij straks met hem mee naar huis gaat om met zijn nieuwe pistool te spelen. Amien kijkt hem aan en zegt; "Nee ik ga niet met jou mee om met een pistool te spelen, dat deed mijn beste vriend Mohammed* ook nooit. Mijn best vriend Mohammed* is vredelievend. En een pistool is een wapen waar mensen elkaar pijn mee doen dus ik speel daar niet mee". Omar staat versteld en zegt dan, "nou ga jij maar lekker met je beste vriend spelen. En ik geloof helemaal niet dat jij een beste vriend hebt die zo goed is". Amien zegt, "en toch heb ik die, en op een dag zullen ook jullie hem ontmoeten".
Omar loopt terug naar Ali en Anas en verteld, "Amien wilde niet met mij mee om te spelen hij begon weer over zijn beste vriend". Ali antwoord, "nou dan zal ik het nu eens proberen. Ik heb gisteren een nieuw computer spelletje gehaald en ik weet zeker dat Amien het geweldig zou vinden om er mee te spelen. Ik weet zeker dat hij dan mijn beste vriend wordt".

Dus loopt Ali op Amien af. "Hallo Amien". "Salaam" zegt Amien terug. En dan steldt Ali zijn vraag; "Zeg Amien ik heb een nieuw computer spelletje gekregen het is echt een geweldig spel als je er een keer mee hebt gespeelt wil je niks anders meer doen. Wat zou je er van vinden om na schooltijd mee te gaan? Dan mag je er mee spelen".
Amien antwoord; "Nee Ali want dat zou mijn beste vriend Mohammed* ook niet doen. Computer spelletjes zorgen ervoor dat je, je huiswerk niet maakt en je salaat niet doet. Nee, sorry voor mij en mijn beste vriend geen computer spelletjes".
Ali antwoord, "nou ik kan me niet voorstellen dat jou beste vriend zo bijzonder is, ik denk dat je liegt je hebt helemaal geen beste vriend".
Amien glimlacht weer en zegt, "Ali ik heb een beste vriend en als je hem zou kennen zou je niemand anders meer als vriend willen". Ali zegt, "nou ga jij maar naar je beste vriend toe dan". Amien antwoord, "dat zal ik zeker doen op een dag!".

Ali loopt terug naar Anas en Omar en verteld dat ook hij is afgewezen door Amien. Nou stonden ze elkaar aan te kijken, ze waren toch best jaloers dat Amien zo een goed beste vriend heeft. Anas zegt, "Ik wil deze vriend van Amien toch best ontmoeten". En ook Ali en Omar willen hem graag ontmoeten.
Ze besluiten om na schooltijd naar Amien toe te gaan om hem te vragen of hij ze wil voorstellen aan zijn beste vriend.

Dan gaat de bel en de kinderen lopen naar het klas lokaal.
De juf zegt; "Goede morgen allemaal! Het onderwerp van vandaag is Pesten, wat vinden jullie nou van pesten? Er worden verschillende reacties gegeven.
Zo zegt Samier de stoerste jongen uit de klas bijvoorbeeld; "nou als ik iemand er gek vind bij lopen heb ik alle recht om hem uit te lachen, moet hij zich maar normaal kleden".

Omdat dit de populairste jongens is uit de klas begint iedereen te lachen.
Behalve Amien die steekt zijn vinger op, de jufrouw geeft hem de beurt en Amien zegt, "Ik ben het hier niet mee eens, met pesten kwets je mensen en ik zou het ook niet leuk vinden om gekwetst te worden. Ik vind dat ieder mens in zijn waarde gelaten moet worden. Je moet een mens behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden".
Nu zijn echt alle ogen op Amien gericht, ze geloven niet wat ze horen, ze schamen zich een beetje.

De juf loopt op Amien af en zegt; "Dat heb je heel mooi gezegd Amien, en dat is wat ik jullie vandaag wilde gaan leren, want je moet inderdaad elk mens behandelen zoals je zelf behandeld wil worden, het maakt niet uit hoe iemand eruit ziet". En dan vraagt ze. "Amien van wie heb jij deze wijze woorden geleerd?"
Amien glimlacht en zegt dan; "Dit heb ik van mijn beste vriend Mohammed* geleerd". Ook de juf lacht en zegt dan: "dan heb jij een hele wijze vriend je mag trots op hem zijn".
De klas kijkt Amien nog steeds aan, zelfs de populairste jongen uit de klas kijkt hem een beetje jaloers aan.

De juf gaat verder met de les, en als de tijd om is gaat de bel de kinderen pakken hun spulletjes bij elkaar en lopen de klas uit.

Amien pakt zijn fiets en wil net wegrijden. Maar dan ziet hij dat Ali, Omar en Anas naar hem toe lopen, dus blijft hij even staan. De jongens vragen alle drie tegelijker tijd: "Amien vertel ons eens wat meer over je beste vriend, het lijkt ons een goede jongen, zou je hem aan ons willen voorstellen?".

En Amien antwoord; "Dat zou ik heel graag willen doen, maar mijn beste vriend is al een hele lange tijd geleden dood gegaan. En ook ik heb hem niet gekend." Amien kijkt nu een beetje verdrietig."

De jongens vragen nu, "maar Amien wat erg voor je, maar je praat over hem alsof hij nog leeft?"
Amien zegt, "dat is ook zo want in mijn hart en in mijn gedachten leeft hij nog elke dag"
Omar vraagt Amien om wat meer over Mohammed* te vertellen.

En dan verteld Amien, "Mijn beste vriend Mohammed*, dat is onze profeet hij had ook beste vrienden en een aantal van die vrienden heten net als ons, Amien, Omar, Ali en Anas. Dit waren vrienden die hem altijd beschermden en altijd bij hem waren ze hadden nooit ruzie. En Mohammed* was altijd goed voor kinderen en hij leerde ze om goed te zijn voor anderen".

Ali zegt, "ik wou dat ik hem ook had gekend, zodat hij mij al die goede dingen kon leren".

En daarop zei Amien, "Wij kunnen ook beste vrienden worden van Mohammed* net als de echt Omar Ali Anas en Amien. We kunnen anderen goede dingen leren en goed zijn voor andere kinderen. Ik heb gelezen dat als je doet wat Mohammed* altijd heeft gedaan tijdens zijn leven, dat je hem op een dag zal mogen ontmoeten van Allah".

"Maar Amien wij weten niet wat Mohammed* in zijn leven heeft gedaan, dus kunnen we ook niet zijn beste vrienden worden" ,zegt Omar een beetje teleurgesteld.

"Maar dat geeft niet" zegt Amien, "want, onze vriend Mohammed* heeft gezegd, "iets wat je nog niet kent kun je altijd leren". Ik zal jullie de belangrijkste dingen vertellen.
Onze vriend Mohammed*, loog nooit, verrichte altijd zijn gebed, dacht heel veel aan Allah, hij was goed voor andere mensen, maakt geen ruzie en hij bleef zijn vrienden altijd trouw".

De jongens waren heel blij om dit te horen, ze namen elkaar bij de hand en besloten om ook de beste vrienden van De Profeet* te worden. Vanaf deze dag zijn de jongens altijd samen. Ze doen alleen maar goede dingen, verrichten hun salaat (gebed), denken veel aan Allah, blijven elkaar altijd trouw. En vertellen andere kinderen keer op keer over hun beste vriend Mohammed*.

EINDE!

(* staat voor; vrede en zegeningen zijn met hem!)

Chahrazed Lachhab

Het leven van onze Profeet Mohammed
(vrede en zegeningen met hem)

Mohammed (v.z.m.h.) was een wees. Zijn vader was al gestorven voor Mohammed (v.z.m.h.) geboren werd en zijn moeder stierf toen hij nog erg jong was. Daarom werd Mohammed (v.z.m.h.) opgevoed door zijn grootvader, Abdul Mutallib en later door zijn oom, Abu Talib.
Beiden hielden erg veel van de wees Mohammed (v.z.m.h.) en beiden besteedden veel zorg aan hem. Toen Mohammed (v.z.m.h.) groot en sterk genoeg was om te werken, ging hij schapen hoeden aan de rand van Mekka, de stad waarin hij leefde. Mohammed (v.z.m.h.) was nog een jongen toen hij als schaapsherder werkte. Later, toen hij was opgegroeid als jongeman, nam zijn oom Abu Talib hem mee op zijn handelsreizen. Mekkanen als Abu Talib waren handelaren en de reizen die ze maakten waren erg lang. Hun kamelen brachten veel verschillende goederen naar Mekka. Dit was een zeer goede en boeiende ervaring voor Mohammed (v.z.m.h.) en toen hij ouder werd leidde hij zelf de karavanen.

In Mekka leefde een rijke weduwe, genaamd Khadija. Zij bezat karavanen en nam Mohammed (v.z.m.h.) in dienst om die voor haar te leiden. Khadija had een zeer wijze keuze gemaakt, Mohammed (v.z.m.h.) was een goede betrouwbare zakenman en een zeer succesvolle. Later trouwden Mohammed (v.z.m.h.) en Khadija en gingen samen met hun kinderen in Mekka wonen en leidden een gelukkig en vredig leven.

Met de voorbijgaande jaren en het ouder worden van Mohammed (v.z.m.h.), begon hij dieper na te denken over veel dingen. Hoewel zijn eigen gezin erg gelukkig was , maakte hij zich zorgen om allerlei problemen. Mohammed (v.z.m.h.) wandelde vaak door de bergen buiten Mekka en in een grot in de berg Hira zat en dacht hij in vrede en eenzaamheid.

Mohammed (v.z.m.h.) was lang verontrust door de situatie, die in Mekka bestond: de mensen hielpen de armen niet. Ze deden geen moeite voor de zorg van wezen of genezing van de zieken naar een goede gezondheid. De Mekkanen leken alleen geïnteresseerd in het hebben van geld en als ze dat hadden wilden ze meer! Deze gedachten verontrustte Mohammed* (v.z.m.h.) vele jaren.

Op een dag, Mohammed* (v.z.m.h.) was 40 jaar oud en zat in de grot op de berg Hira toen een engel voor hem verscheen. De engel, genaamd Gabriel zei tegen Mohammed (v.z.m.h.):

"Lees voor in de naam van jouw Heer die jou heeft geschapen. Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklonter".

Ineens wist Mohammed (v.z.m.h.) wat de betekenis was. Hij moest naar Mekka gaan en de mensen vertellen dat Allah de mens heeft gecreëerd, Allah heeft alles geschapen wat mensen nodig hebben om te leven. Daarom zou men dankbaar moeten zijn aan Allah. Men zou alleen moeten bidden tot Allah en alleen Hem moeten gehoorzamen. Het is Allah’s wil dat de armen en de zieken verzorgd worden, en dat men zou moeten streven met alle macht om goed te doen en eerbare levens te lijden. Na de dood zal men rijkelijk beloond worden voor de moeite. Maar degenen die met opzet slecht doen zullen een vreselijke straf krijgen behalve als ze oprecht berouw over hun daden hebben en Allah om vergiffenis vragen.

Allereerst was Mohammed (v.z.m.h.) erg verward, hij had nooit eerder een engel gezien. Maar toch realiseerde hij zich dat de engel hem antwoorden op vele vragen had gegeven die hem hadden beziggehouden. Voor enige tijd had Mohammed (v.z.m.h.) zich altijd afgevraagd wie hem altijd had geholpen, nu wist hij het: Allah. Hij vroeg zich af waarom de Mekkanen zo gierig en gemeen waren, nu wist hij ook waarom: omdat zij ongehoorzaam waren aan Allah. Allah had de mensen geschapen en alles wat in de wereld is, en daarom moeten de mensen gehoorzaam zijn aan Allah.

Toen Mohammed (v.z.m.h.) terugging naar Mekka vertelde hij alles wat gebeurd was aan zijn vrouw Khadija en wat de engel Gabriel had gezegd. Zijn vrouw zei hem: Allah zou je nooit in ongenade laten vallen. Je doet vele goede dingen. Je houdt families bijeen. Je draagt de last van de zwakken, je helpt de armen en de behoeftige, je vermaakt je gasten en verdraagt moeilijkheden op de weg van waarheidsliefde. Mohammed (v.z.m.h.) was erg blij dat zijn vrouw net als hij geloofde en vertrouwde in Allah. Hij begon zijn vrienden te vertellen over de engel Gabriel en wat de engel hem had verteld. Eerst waren er maar enkelen die aandacht besteedden aan Mohammed (v.z.m.h.). De meeste negeerden hem, te druk met geld verdienen en geen tijd of zin om aan Allah te denken.

Gedurende deze tijd en erna bleef de engel Gabriel voor Mohammed (v.z.m.h.) verschijnen en herinnerde hem aan dezelfde dingen. Mohammed (v.z.m.h.) was gekozen tot Allah’s profeet en het was zijn taak om de mensen te vertellen goed te doen en geen andere Allah te aanbidden. Mohammed (v.z.m.h.) moest ook vertellen dat ze hun geld moesten besteden aan het helpen van arme mensen die zelf te weinig geld hadden. Tenslotte begon Mohammed (v.z.m.h.) de Mekkanen te benaderen. Hij koos mooie woorden om te vertellen over Allah’s wensen, zodat hij ze hierdoor kon aantrekken: als je genoeg te eten hebt en er is een arme man die honger heeft, dan moet je iets van jouw voedsel te eten geven en iets van jouw kleding te dragen geven. De zieken moeten genezen worden en de wezen moeten goed verzorgd worden. Als je dit alles doet zoals Allah wenst dan zul je beloond worden. Maar als je weigert, waarschuwde Mohammed (v.z.m.h.) dan zul je ernstig gestraft worden.
Helaas, de Mekkanen lachten Mohammed (v.z.m.h.) uit. Nog erger: zij weigerde Allah te aanbidden en gingen door te geloven dat het belangrijker was veel geld te hebben. Sommigen gooiden zelfs stenen naar Mohammed (v.z.m.h.) en ze doodden sommigen die hem volgden en alleen in Allah geloofden.

Hun vijandigheid nam toe en de Mekkanen besloten dat Mohammed (v.z.m.h.), zijn gezin, zijn familie en vrienden verdreven moesten worden uit de stad. Daarom stuurden ze hem naar een vallei in de bergen buiten Mekka en niemand mocht hem opzoeken of voedsel brengen. Ze moesten drie jaar op die verlaten plek leven, ze waren zo hongerig geworden dat ze bladeren van de bomen aten, omdat er niet genoeg voedsel was.

Het leven was zo slecht, dat Khadija, de vrouw van Mohammed (v.z.m.h.) overleed. Mohammed (v.z.m.h.) was erg verdrietig. Toen kwam de engel Gabriel die hem uitlegde dat Allah hem wilde helpen. Hij moest zijn familie en volgelingen meenemen van Mekka naar een ander stad, genaamd Medina. De mensen daar waren gewillig naar Allah te luisteren, zo vertelde de engel aan Mohammed (v.z.m.h.). Dit vertelde Mohammed (v.z.m.h.) aan zijn volgelingen. Iedereen die geloofde in Allah en alleen Allah aanbad verliet Mekka. De laatste die vertrokken waren Mohammed (v.z.m.h.) en zijn beste vriend, Abu Bakr. Maar de mensen van Mekka waren niet blij dat Mohammed (v.z.m.h.) vertrok. Nu wilden ze hem vermoorden, omdat hij hun gewaarschuwd had wegens hun slechte daden. Maar Mohammed (v.z.m.h.) was in staat te vertrekken toen de Mekkanen op weg waren hem te vermoorden. Ali, de moedige jonge neef van Mohammed (v.z.m.h.) legde zichzelf in het bed van Mohammed (v.z.m.h.) zodat de Mekkanen zouden denken dat de profeet daar nog steeds was. Maar Mohammed (v.z.m.h.) en Abu Bakr waren allang op weg, en om te voorkomen dat iemand hun vond verstopten ze zich in een grot. Toen de mensen ontdekten dat het Ali was in Mohammed (v.z.m.h.) ’s bed en dat de profeet weg was werden ze woedend. Maar ze konden niets doen, omdat Mohammed (v.z.m.h.) allang buiten hun bereik was.

Medina was heel anders dan Mekka. Hier had Mohammed (v.z.m.h.) meer vrienden dan vijanden. Maar de Mekkanen lieten hem niet met rust. Ze volgden hem naar Medina om oorlog te voeren met hem. Maar Allah hielp de profeet en zijn volgelingen, en beschermde hen tegen hun vijanden.

In Medina bleef Mohammed (v.z.m.h.) Allah’s boodschappen ontvangen van de engel Gabriel. Deze boodschappen zijn neergeschreven in een boek, genaamd de Koran. In de Koran kunnen we alles lezen wat Allah heeft gezegd tegen de mensen.

De profeet en zijn vrienden bouwden een moskee in Medina en hier deden ze vijf keer per dag het gebed. Een keer per jaar vastten ze een maand: gedurende die dagen aten en dronken ze niet op de dag (dit is in de maand Ramadan). Ze trainden zichzelf zonder voedsel en drinken te zijn . Door deze ervaring leerden ze weinig te eten. Hierdoor was er genoeg voedsel over om weg te geven aan de armen. Ze geven aan de armen ook van hun geld.

Mohammed (v.z.m.h.) en zijn familie geloofden in Allah en aanbaden Hem alleen. Ze waren gehoorzaam aan Allah en volgden zijn bevelen. Daarom worden ze moslims genoemd. Degenen die in Allah geloven, alleen Allah aanbidden en handelen volgens de Koran zijn moslims. Maar degenen die niet in Allah geloven en weigeren hem te gehoorzamen en zelfs de moslims willen doden door oorlogen te voeren tegen hen zijn geen moslims. Dat zijn de ongelovigen.

Vele jaren moesten Mohammed (v.z.m.h.) en zijn volgelingen zichzelf verdedigen tegen de aanvallen van zijn vijanden en vele keren werden ze gedwongen tegen hen te vechten. In deze slagen hielp Allah Mohammed (v.z.m.h.) en de moslims. Na enige tijd begrepen de ongelovigen dat door Allah’s hulp Mohammed (v.z.m.h.) veel sterker was dan zij waren. Tenslotte zeiden ze tegen zichzelf te stoppen met vechten, want niemand is sterker dan Allah; het was beter voor hen ook in Allah te geloven en hem te aanbidden. Mohammed (v.z.m.h.) en de moslims waren erg blij dat de lange oorlog tenslotte aan een eind was gekomen. Allah hielp hun zoals Hij had beloofd en ze konden terug naar Mekka, waar ze eens de eerste kleine groep van mensen waren die in Allah geloofden. Toen ze in Mekka aankwamen hielden ze een gezamenlijk gebed. Daarna bleven sommigen in Mekka, anderen die een huis hadden in Medina gingen terug.

Deze moslims in Medina reisden elk jaar naar Mekka omdat de Kaaba daar is.
De Kaaba is een grote stenen gebouw zonder ramen. Het lijkt op een grote kubus. Het was gebouwd door profeet Ibrahiem (v.z.m.h.) die vele jaren leefde voor Mohammed (v.z.m.h.) . Als je de Kaaba ziet dan zul je herinnerd worden aan wat Allah Zijn mensheid heeft verteld en wat de mensheid zou moeten doen:

GELOVEN IN ALLAH, ALLEEN ALLAH AANBIDDEN EN ALTIJD STREVEN NAAR GOED DOEN.

Dat zijn Allah’s bevelen aan de mensheid. Allah heeft vele profeten gezonden met boodschappen van Hem, de Schepper van mens en heelal. Mohammed (v.z.m.h.) was de laatste van Allah’s vele profeten, na zijn dood liet hij de Koran achter waarin Allah’s boodschappen zijn neergeschreven. In de Koran zijn ook veel verhalen van andere profeten die lang voor Mohammed (v.z.m.h.) leefden.

Salaam Aleikoum



Omar ibn al-Khattab en het melkmeisje

De tweede kalief ( regeerde van 634-644 A.D.)
Naverteld met de woorden van Aisha, Bilal en Omer Choudhry

Kalief Omar was een leider van de stad Medina, in Saoedie-Arabië.
‘s Nachts liep hij altijd in de stad om te zien of alles in orde was, of dat er misschien iets aan de hand was. Hij deed zijn best om alles in orde te brengen, zodat het met iedereen goed zou gaan. Op een nacht verkleedde hij zich zodat de mensen niet konden zien dat hij het was (dit deed hij altijd). Hij ging samen met een vriend, Ibn Abbas, en ze gingen naar alle wijken van de stad en kwamen uiteindelijk in de buurt waar de allerarmste mensen woonden.

Toen hij langs een heel klein huisje liep, hoorde hij een moeder tegen haar dochter zeggen dat ze water bij de melk, die ze moest verkopen, moest doen zodat ze meer geld zouden verdienen. De dochter zei tegen haar moeder dat ze dat deed voordat ze moslims waren geworden, maar nu ze moslims zijn kunnen ze geen water meer bij de melk doen. De moeder zei dat ze het toch moest doen.

De dochter zei: ‘Nee. De kalief heeft gezegd dat we geen dingen aan de melk mogen toevoegen’. De moeder zei: ‘We zijn arm. Alleen zo kunnen we aan geld om komen om er wat brood van te kopen. De kalief is ons vergeten, en hij weet helemaal niet wat we doen’.
De dochter zei: ‘Maar het is tegen de wet, en ik breek de wetten van de kalief niet door andere moslims voor de gek te houden’.

De dochter liet haar moeder geen water in de melk doen omdat ze in haar hart voelde dat dit fout was, en ze wist dat Allah het zou weten.
De moeder zei niets en ze gingen allebei naar bed.

De volgende dag stuurde kalief Omar een man om melk van het meisje te kopen. Er zat geen water in. Het meisje deed waarvan ze wist dat het het beste was.
Kalief Omar zei tegen zijn vriend: ‘Het meisje bleef sterk ook al wilde haar moeder dat ze iets verkeerds zou doen. Ze verdient een beloning. Wat voor een beloning zal ik haar geven?’
"Je moet haar wat geld geven", zei Ibn Abbas.

Kalief Omar zei: ’Een meisje als zij, zou een goede moeder zijn. Ze blijft goede dingen doen, ook al zou ze geld krijgen als ze het anders zou doen. Omdat ze zo goed is, moet ze eigenlijk het grootste geschenk van het land krijgen, zodat iedereen van het hele land kan leren zo goed als haar te zijn’.

De kalief nodigde het meisje en haar moeder uit om naar zijn hof te komen. De moeder beefde omdat ze bang was toen ze voor die machtige heerser stond, maar het meisje stond daar dapper en zonder angst. Ze was mooi en de eerlijkheid straalde van haar af.

Toen vertelde kalief Omar -waar iedereen bij was- dat hij het meisje en de moeder had horen praten over het toevoegen van water bij de melk en dat het meisje de juiste beslissing heeft genomen, ook al had haar moeder haar gezegd dat ze het anders moest doen.

Iemand zei dat de moeder gestraft moest worden, maar de kalief zei dat hij dat normaal wel zou doen, maar dat hij haar had vergeven omdat haar dochter zo goed was. Toen zei hij tegen het meisje: ‘De islam heeft dochters als jij nodig en ik, als kalief van de islam, moet jou belonen en ik wil je graag belonen door je als dochter van mij te maken’.

Toen riep de kalief zijn zonen en hij zei tegen ze: ‘Hier is een fantastisch meisje, die een geweldige moeder zou zijn. Ik wil dat één van jullie met haar trouwt. Ik zou geen betere bruid weten dan dit goede meisje’.

Abdullah en Abdur-rahman, de twee oudste zonen van de kalief, waren al getrouwd.
Asim, de derde zoon, was nog niet getrouwd, en hij bood aan om met het meisje te trouwen.

Toen het meisje en de moeder hiermee akkoord gingen, trouwde Asim met het meisje en zo werd het melkmeisje de schoondochter van de kalief, de grote leider van het groot islamitische land.

Einde